ECLI:NL:RVS:2024:5479
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring vreemdeling na strafrechtelijke veroordeling
De vreemdeling, met de Albanese nationaliteit, is bij besluit van 19 april 2017 ongewenst verklaard vanwege een gevangenisstraf van twee maanden voor het bezit van een vervalst reisdocument. Zij verzocht om opheffing van deze ongewenstverklaring, maar dit verzoek werd bij besluiten van 16 juni 2020 en 27 maart 2024 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het eerdere besluit op bezwaar was ingetrokken. Het beroep tegen het besluit van 27 maart 2024 wordt inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De vreemdeling voerde aan dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing zou moeten zijn in plaats van het nationale recht, maar de Raad stelt vast dat zij geen vergunning of rechtmatig verblijf op Nederlands grondgebied heeft verkregen, zodat de richtlijn niet van toepassing is.
Daarnaast faalden haar beroepsgronden over het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De minister had een belangenafweging gemaakt en de vreemdeling had onvoldoende persoonlijke omstandigheden en bewijsstukken aangeleverd om opheffing te rechtvaardigen. De Raad concludeert dat de minister terecht het verzoek heeft afgewezen en dat de vreemdeling geen proceskosten krijgt toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de opheffing van de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.