ECLI:NL:RVS:2024:5389
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J. Schipper-Spanninga
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing toelating internationale handelsverkeer regeling door UWV
Een tuin- en akkerbouwbedrijf diende een aanvraag in bij het UWV om toegelaten te worden tot de regeling in het kader van het internationale handelsverkeer, waarmee buitenlandse arbeidskrachten tijdelijk zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden kunnen verrichten. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de werkzaamheden specifieke kennis vereisten en dat de komst van de arbeidskrachten noodzakelijk was, en omdat de werkzaamheden concurrentie opleverden met het prioriteitgenietend aanbod.
De centrale vraag was of het UWV de weigeringsgrond uit artikel 1k, vijfde lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Buwav) mocht toepassen als volgens de aanvrager artikel 1e van het Buwav van toepassing zou zijn, dat vrijstelling geeft voor grensoverschrijdende dienstverlening binnen de EU. De Afdeling oordeelde dat het UWV deze toets mag toepassen en dat het niet verplicht is vooraf te toetsen of artikel 1e van toepassing is.
Verder stelde de aanvrager dat de arbeidskrachten zelf deel uitmaken van het prioriteitgenietend aanbod omdat zij werkzaamheden verrichten onder het vrij verkeer van diensten. De Afdeling concludeerde dat dit niet kan worden beoordeeld binnen de procedure van artikel 1k en dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen.
De Afdeling verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat geen toezegging was gedaan door het UWV. De afwijzing is niet in strijd met het vrij verkeer van diensten, aangezien de aanvrager de arbeidskrachten alsnog kan laten werken op basis van artikel 1e van het Buwav.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag door het UWV bevestigd.