ECLI:NL:RVS:2024:5096
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid Wob-verzoek in bezwaarprocedure handhavingsadvies
Appellant verzocht op 7 december 2020 de commissie om verstrekking van documenten en een audio-opname onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De commissie nam een ingebrekestelling van appellant niet in behandeling omdat het verzoek geen Wob-verzoek was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en passeerde het gebrek van niet-horen met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat appellant niet benadeeld was.
Appellant stelde in hoger beroep dat de schending van de hoorplicht het besluit onrechtmatig maakte en dat zijn verzoek wel een Wob-verzoek was. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank het gebrek terecht had gepasseerd omdat appellant in bezwaar en beroep zijn gronden had kunnen toelichten. Tevens volgde de Afdeling het eerdere oordeel dat het verzoek geen Wob-verzoek is en geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De commissie hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het vonnis is uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 december 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.