ECLI:NL:RVS:2024:4991
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken procesbelang
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 december 2023, waarin zijn verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep wegens ontbreken van procesbelang ongegrond werd verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Het geschil betreft een verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het illegaal uithakken van een keldermuur in een pand te Utrecht, waarop het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een besluit tot afwijzing heeft genomen. Appellant maakte bezwaar, waarna het college niet tijdig besliste, appellant het college in gebreke stelde en vervolgens beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. Dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat hoger beroep tegen een niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:54 Awb Pro in beginsel niet mogelijk is, tenzij sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen of beginselen van een goede procesorde. De door appellant aangevoerde schendingen van het motiveringsbeginsel, decisiebeginsel, verdedigingsbeginsel en onpartijdigheid worden door de Afdeling niet als zodanig erkend.
De Afdeling concludeert dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Het hoger beroep wordt daarmee afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het af.