ECLI:NL:RVS:2024:4918
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat twv-vereiste voor internationale chauffeurs geen nieuwe beperking is volgens artikel 13 Besluit nr. 1/80
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van een Turkse vreemdeling gegrond verklaarde tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst.
De minister stelde dat het vereiste van een tewerkstellingsvergunning (twv) voor internationale chauffeurs geen nieuwe beperking vormt volgens artikel 13 van Pro Besluit nr. 1/80, omdat internationale chauffeurs die een verblijfsvergunning beogen al onder het twv-vereiste vielen op het moment van inwerkingtreding van het besluit in 1980. De rechtbank had dit anders beoordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het twv-vereiste een nieuwe beperking is. De Afdeling stelt vast dat internationale chauffeurs die een verblijfsvergunning beogen al onder het twv-vereiste vielen en dat het twv-vereiste dus niet in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 13. Ook oordeelt de Afdeling dat de vreemdeling niet kan worden aangemerkt als internationale vrachtwagenchauffeur in de zin van de vrijstellingsbepaling, omdat hij ook werkzaamheden binnen Nederland zal verrichten.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning.