ECLI:NL:RVS:2024:4902
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en weigering uitzettingsbesluit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 maart 2022 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Tevens werd geweigerd om ambtshalve te bepalen dat uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 en om een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De rechtbank stelde de vreemdeling in de gelegenheid aanvullende stukken in te dienen voor een medisch advies en gaf de staatssecretaris ruimte om zijn besluit te heroverwegen.
Bij aanvullend besluit van 2 februari 2023 bleef de weigering gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond in haar uitspraak van 19 april 2023. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het standpunt van de minister dat er geen familieleven bestond tussen de vreemdeling en haar meerderjarige kinderen in de zin van artikel 8 EVRM Pro voldoende gemotiveerd was. De minister hoefde geen belangenafweging te maken omdat geen afhankelijkheid werd vastgesteld. Daarnaast bevatte het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen die beantwoording behoefden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.