ECLI:NL:RVS:2024:4744
Raad van State
- Hoger beroep
- P.H.A. Knol
- J. Gundelach
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering natuurvergunning voor zand- en grindbedrijf wegens stikstofdepositie
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel weigerde op 15 februari 2021 een natuurvergunning aan [appellante sub 1] voor het in werking hebben van een zand- en grindbedrijf aan de [locatie] in Westerhaar-Vriezeneensewijk vanwege mogelijke significante stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante sub 1] ongegrond en bevestigde dat onvoldoende kon worden vastgesteld of de aangevraagde situatie leidde tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie op 10 juni 1994.
In hoger beroep betoogde [appellante sub 1] dat de referentiedatum onjuist was vastgesteld en dat zij wel degelijk bestaande stikstofrechten kon aantonen op basis van milieuvergunningen. De Raad van State oordeelde dat de relevante referentiedatum 10 juni 1994 is en dat de referentiesituatie ontleend moet worden aan de Hinderwetvergunning van toen. De milieuvergunningen uit 1997 en 2002 konden niet als referentie dienen omdat niet was aangetoond dat deze minder stikstofdepositie toestonden.
De Raad van State stelde vast dat de door [appellante sub 1] overgelegde AERIUS-berekeningen onvoldoende inzicht boden in de omvang van de stikstofdepositie in de referentiesituatie en dat het college niet in strijd met de zorgvuldigheidseisen had gehandeld. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2A] en SLB werd eveneens ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de natuurvergunning geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep en incidenteel hoger beroep worden ongegrond verklaard en de weigering van de natuurvergunning bevestigd.