Uitspraak
Datum uitspraak: 20 november 2024
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan een caféhouder dwangsommen op wegens overtreding van geluidsnormen op grond van het Activiteitenbesluit. De dwangsommen werden opgelegd aan de oorspronkelijke exploitant en vervolgens aan de rechtsopvolger, appellant, die het cafébedrijf voortzette. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, maar het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak leidt tot gedeeltelijke vernietiging van deze uitspraak.
De Afdeling oordeelt dat het college terecht appellant als rechtsopvolger heeft aangemerkt, ondanks diens ontkenning, omdat hij de onderneming heeft voortgezet en dit standpunt ook eerder heeft ingenomen. Daarnaast wordt geoordeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2020 niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard, maar dat het bezwaar inhoudelijk ongegrond is. Het geluidsonderzoek waarop het college zich baseerde, is voldoende onderbouwd en de gebruikte meetapparatuur voldoet aan de relevante normen.
Verder wordt het betoog van appellant dat de hoogte van de dwangsommen in strijd is met het protocol verworpen, omdat het protocol niet van toepassing is op dwangsominvordering. Ten slotte wijst de Afdeling een schadevergoeding toe van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank, en veroordeelt zij het college en de Staat tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor een deel vernietigd en voor het overige bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit van 6 januari 2021 vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2020 ongegrond verklaard en schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.