AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel in hoger beroep en voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af bij besluiten van 5 juni 2023 en 8 mei 2024. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 24 september 2024 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling overwoog dat de in hoger beroep overgelegde berichten van het socialemediaplatform X niet konden worden betrokken bij de beoordeling omdat deze niet tijdig waren ingebracht en onvoldoende waren gemotiveerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitspraak
202406296/1/V2 en 202406296/2/V2.
Datum uitspraak: 11 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 september 2024 in zaak nr. NL23.18027 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2023, aangevuld bij besluit van 8 mei 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De Afdeling betrekt de eerst in hoger beroep overgelegde berichten op het socialemediaplatform X op grond van artikel 85 vanPro de Vw 2000 niet bij de beoordeling van het hoger beroep. De vreemdeling stelt dat deze berichten dateren van voor de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft geen toereikende verklaring gegeven waarom hij deze berichten redelijkerwijs niet in beroep had kunnen overleggen. De vreemdeling kan deze berichten desgewenst aan een nieuwe aanvraag ten grondslag leggen.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.