ECLI:NL:RBDHA:2024:15673
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Syrische Turkse nationaliteit wegens onvoldoende gegronde vrees vervolging
Eiser, met de Syrische en Turkse nationaliteit, vreesde discriminatie en vervolging in Turkije vanwege zijn Syrische afkomst, politieke en religieuze uitingen, waaronder kritiek op de islam en het schrijven van een biografie over een oppositieleider. Hij ontving ook een anonieme doodsbedreiging en werd geconfronteerd met een aangifte wegens zijn uitingen.
De minister wees de asielaanvraag af en vond de geloofwaardige elementen onvoldoende zwaarwegend voor vluchtelingenstatus of schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de aanvullende motiveringen van de minister zorgvuldig tot stand kwamen en dat eiser onvoldoende bewijs leverde ter onderbouwing van zijn relaas, waaronder het ontbreken van cruciale documenten en onvoldoende toelichting op socialmediagebruik.
De rechtbank stelde dat de ervaren discriminatie niet zodanig ernstig was dat het leven onhoudbaar werd, mede omdat eiser werkte, een huurwoning had en toegang tot gezondheidszorg. Ook was onvoldoende aannemelijk dat Turkse autoriteiten hem niet konden beschermen. De minister had het juiste toetsingskader gehanteerd en voldoende gemotiveerd waarom geen gegronde vrees voor vervolging bestond.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.