ECLI:NL:RVS:2024:4407
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en vergoeding overschrijding redelijke termijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 17 juni 2022 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde en onbepaalde tijd van de vreemdeling opnieuw ingetrokken en geweigerd een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond op 15 mei 2024.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard omdat het geen vragen bevatte die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming vereisten. Wel deed de vreemdeling een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling oordeelde dat de totale redelijke termijn van vier jaar in deze tweefasenprocedure was overschreden, waarbij de overschrijding volledig aan de minister kon worden toegerekend. Daarom werd de minister veroordeeld tot betaling van € 1.000,- aan de vreemdeling als schadevergoeding. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 437,50 voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten voor het hoger beroep te vergoeden. De beslissing werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 31 oktober 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.