ECLI:NL:RVS:2024:4197
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende motivering en onjuiste feitenbasis
De appellant vroeg op 25 januari 2023 een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, omdat hij dakloos is na een liquidatiepoging in 2020 en een explosie in 2022 bij de woning van zijn ouders. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening 2020, omdat het huisvestingsprobleem volgens het college niet substantieel met een zelfstandige woning kon worden opgelost en het een veiligheidsprobleem betrof dat onder politie en justitie valt.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, onder meer omdat verhuizen buiten Amsterdam als voorliggende voorziening werd gezien en appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor sociale urgentie. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door feitelijke aannames over het hoofdverblijf van appellant te maken die niet door het college waren ingebracht.
Verder concludeert de Raad dat het college de afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd, met name over de voorliggende voorziening via de directie Openbare Orde en Veiligheid (OOV) en de sociale urgentie. De Raad vernietigt daarom het besluit van 25 augustus 2023 en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en uitspraak rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.