ECLI:NL:RVS:2024:4013
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk na intrekking verblijfsvergunning asiel door minister
De vreemdelingen hadden aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die op 12 juli 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waren afgewezen. Vervolgens trok de minister deze besluiten op 29 juli 2022 in. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de afwijzingen niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de intrekkingsbesluiten ongegrond.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat de minister zijn intrekkingsbevoegdheid onbehoorlijk had gebruikt en dat de rechtbank op grond van het arrest Torubarov verplicht was zelf te beoordelen of terugkeer naar Irak een schending van artikel 3 EVRM Pro opleverde. Tijdens het hoger beroep werden de aanvragen alsnog ingewilligd, waarna de vreemdelingen hun hoger beroep handhaafden met het verzoek om proceskostenvergoeding en beantwoording van een principiële rechtsvraag.
De Raad van State oordeelde dat door de inwilliging van de aanvragen het procesbelang verviel, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk was. De bestuursrechter is niet verplicht om uitsluitend vanwege principiële belangen uitspraak te doen. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, omdat hij door zijn tegemoetkoming het procesbelang deed vervallen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de minister tot betaling van € 875,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.