AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening van uitspraak bestuursrechtelijke zaak Belastingdienst/Toeslagen
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek van verzoeker om herziening van haar uitspraak van 31 mei 2023, waarin het hoger beroep van verzoeker tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland was afgewezen.
Verzoeker stelde nieuwe feiten en omstandigheden aan de orde die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. De Afdeling oordeelde echter dat deze feiten en omstandigheden verzoeker al vóór de uitspraak bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn, zodat niet voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 8:119 AwbPro voor herziening.
Tijdens de zitting op 17 januari 2024 werd bevestigd dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden kon aandragen. Het verzoek tot herziening werd daarom afgewezen. De proceskosten werden niet toegewezen.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet bedoeld om het geschil opnieuw te behandelen of om argumenten die eerder hadden kunnen worden aangevoerd alsnog te presenteren.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak van 31 mei 2023 wordt afgewezen.
Uitspraak
202304473/1/A2.
Datum uitspraak: 31 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], gevestigd te [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2095.
Procesverloop
Bij uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2095, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 juni 2022 in zaak nr. 21/2189 ongegrond verklaard.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 januari 2024, waar [verzoeker] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of er feiten en omstandigheden naar voren komen die er al waren vóór de uitspraak, die de verzoeker om herziening niet kende en ook niet hoefde te kennen, én die mogelijk van invloed zouden zijn geweest op het oordeel in die uitspraak.
2.1. De Afdeling is van oordeel dat de feiten of omstandigheden die [verzoeker] aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag legt, hem al vóór de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023 bekend waren of hem redelijkerwijs bekend konden zijn. Dat betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, zodat die feiten en omstandigheden al daarom niet tot herziening van die uitspraak kunnen leiden. Ook in de nadere stukken heeft [verzoeker] dergelijke omstandigheden niet genoemd. Dit is op de zitting met hem besproken, maar toen heeft [verzoeker] ook geen voor hem nieuwe feiten of omstandigheden genoemd. Hij heeft wel opnieuw betoogd waarom hij het niet eens is met de oorspronkelijke besluitvorming van de Belastingdienst/Toeslagen en dat hij vindt dat hij dat opnieuw aan de rechter moet kunnen voorleggen. Maar daar is, zoals gezegd, het bijzondere rechtsmiddel van de herziening niet voor bedoeld.
3. Gelet op het vorenstaande moet het verzoek worden afgewezen.
4. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.