ECLI:NL:RVS:2024:3786

Raad van State

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
202303264/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag

De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep op 26 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat nog geen besluit was genomen.

In hoger beroep heeft de minister op 25 januari 2024 alsnog een besluit genomen waarbij de aanvraag geheel werd ingewilligd. Hierdoor heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt en is hij geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, omdat de minister de beslistermijn ruim heeft overschreden. De Afdeling past een wegingsfactor toe van 0,5 vanwege het beperkte doel van het hoger beroep.

Er zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, maar deze zijn nog onbeantwoord. Het besluit van de minister van 25 januari 2024 is volledig tegemoetkomend aan de aanvraag, en er zijn geen beroepsgronden tegen dat besluit ingediend.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen; de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202303264/1/V1.
Datum uitspraak: 23 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 april 2023 in zaak nr. NL22.26491 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 26 april 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.R. Coene, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 25 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
Overwegingen
Hoger beroep
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag van 30 mei 2022. Dat heeft de minister bij het besluit van 25 januari 2024 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft de vreemdeling het doel van deze procedure bereikt. Hij heeft geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De minister heeft na meer dan vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 25 januari 2024
4.       De minister is in het besluit van 25 januari 2024 geheel aan de aanvraag van de vreemdeling tegemoetgekomen. De vreemdeling heeft geen beroepsgronden ingediend tegen dat besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024
958