ECLI:NL:RVS:2024:3778
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf onder jongvolwassenenbeleid
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2020 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 11 november 2021 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 10 mei 2022 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep betoogde de vreemdeling dat de minister een te strakke leeftijdsgrens had gehanteerd bij de beoordeling onder het jongvolwassenenbeleid. De Raad van State verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2024:2146) waarin is bepaald dat de minister niet alleen op leeftijd mag afgaan, maar een op het geval toegespitste beoordeling moet maken. De Raad constateert dat de minister dit heeft gedaan door de omstandigheden van de vreemdeling mee te wegen en niet uitsluitend op leeftijd te baseren.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister een juiste beoordeling heeft gemaakt en dat er geen verdere motivering nodig is omdat het hoger beroep geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf bevestigd.