ECLI:NL:RVS:2024:3731
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling overschrijding redelijke termijn en toekenning schadevergoeding in vreemdelingenzaak
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had de aanvraag in 2018 afgewezen en het bezwaar in 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees een verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de termijn had berekend tot een eerdere uitspraak, terwijl de procedure was voortgezet met een nieuw besluit en beroep. De totale duur van de procedure bedroeg van ontvangst van het bezwaarschrift in december 2018 tot de uitspraak van de rechtbank in september 2023 vier jaar en acht maanden, waarmee de redelijke termijn van vier jaar was overschreden.
Daarnaast stelde de vreemdeling een aanvullend verzoek om schadevergoeding wegens de overschrijding tot aan de uitspraak in hoger beroep, die in september 2024 plaatsvond. De totale overschrijding bedroeg daarmee twintig maanden. De Raad van State kende de volledige overschrijding toe aan het bestuursorgaan, omdat noch de rechtbank noch de Afdeling de redelijke termijnen hadden overschreden.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het verzoek om schadevergoeding had afgewezen, bevestigde het overige en veroordeelde de minister tot betaling van €2.000 aan de vreemdeling. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €875, gerelateerd aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Uitkomst: De redelijke termijn is met achttien maanden overschreden en de minister is veroordeeld tot betaling van €2.000 schadevergoeding en €875 proceskosten.