ECLI:NL:RVS:2024:3553
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en afwijzing schadevergoeding wegens redelijke termijn overschrijding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 24 november 2022 de aanvragen van drie vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen stelden hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 31 juli 2024 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling oordeelt dat de klachten in de tweede, derde en vierde grief niet leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, omdat deze geen belang hebben voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel is terecht geklaagd dat de rechtbank niet op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is ingegaan. De Afdeling stelt echter dat gezien de omstandigheden van het geval, waaronder de duur van de procedure en het gedrag van de gemachtigde, de redelijke termijn niet is overschreden.
De Afdeling constateert dat de totale duur van de rechterlijke procedures in eerste aanleg bijna twee jaar bedroeg en dat de behandeling van het hoger beroep iets langer dan twee jaar heeft geduurd. Gezien de complexiteit van de zaak en de procesgang acht de Afdeling de termijn redelijk. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.