ECLI:NL:RVS:2024:3381
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen schriftelijke waarschuwing voor ongepast gedrag studente Hogeschool Inholland
De directeur van de vestiging Hogeschool Inholland Rotterdam & Dordrecht heeft aan een studente een schriftelijke waarschuwing opgelegd vanwege schreeuwen, schelden en dreigende uitspraken richting een medestudent, wat in strijd is met de huisregels en afbreuk doet aan een veilige leeromgeving.
De studente maakte bezwaar tegen deze waarschuwing, maar het college van bestuur verklaarde het bezwaar ongegrond. Vervolgens stelde zij beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de schriftelijke waarschuwing een besluit met rechtsgevolg is. De Raad oordeelde dat de waarschuwing een aanmaning is als bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid, van de WHW, omdat daarin een toekomstige maatregel zoals schorsing of verwijdering in het vooruitzicht wordt gesteld.
De Raad verwierp het betoog van de studente dat er vooraf een berisping had moeten zijn en dat zij door de beslissing in een slechtere positie zou zijn gekomen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat een medestudent dezelfde maatregel had ontvangen.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten toe aan het college van bestuur.
Uitkomst: Het beroep van de studente tegen de schriftelijke waarschuwing wordt ongegrond verklaard.