ECLI:NL:RVS:2024:3101
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over kinderopvangtoeslag en Catshuisregeling
Appellant verzocht in januari 2021 om herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag over 2014-2016. Over toeslagjaar 2016 werd hij als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend en kreeg hij een bedrag van €30.000,00 toegekend, bestaande uit een compensatie van €19.915,00 aangevuld volgens de Catshuisregeling. Voor de jaren 2014 en 2015 werd hij niet als gedupeerde aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond tegen het besluit van 26 augustus 2022 dat bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een lichte toets betrof, vernietigde dit besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het bedrag reeds was uitbetaald. Appellant stelde procedurele fouten en het ontbreken van stukken aan de orde, evenals het niet toekennen van verletkosten voor zijn vrouw en eigen kosten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het bevoegdheidsgebrek van het besluit van 26 augustus 2022 is hersteld en dat appellant geen recht heeft op een tweede uitbetaling van de Catshuisregeling. De rechtbank heeft terecht geen proceskosten toegekend en het ontbreken van stukken leidt niet tot vernietiging omdat appellant niet concreet heeft gemaakt welke stukken relevant ontbraken. Ook de verzoeken tot vergoeding van verletkosten worden afgewezen omdat de echtgenote niet aanwezig was en appellant zelf geen verzoek tot vergoeding van eigen kosten heeft ingediend.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.