ECLI:NL:RVS:2024:2996
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
De korpschef van politie verleende op 4 maart 2020 toestemming aan appellante sub 2 om appellant sub 1 beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Deze toestemming werd op 18 januari 2021 ingetrokken vanwege meerdere incidenten, waaronder meldingen van vernieling, mishandeling, stalking en bedreiging. De korpschef baseerde zijn besluit op een reeks feiten, waaronder een stopgesprek, aangiften en een verhoor waarin diverse incidenten werden besproken.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde de beroepen van appellant en appellante ongegrond, waarbij zij de nadere motivering van de korpschef toereikend achtte. Appellanten stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte alleen de door de korpschef aangedragen feiten heeft betrokken en dat de strafzaak een ander licht op de feiten werpt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de rechtbank de juiste toetsing heeft toegepast en dat de korpschef terecht heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende betrouwbaar is.
De Afdeling onderstreept dat het niet vereist is dat sprake is van een strafrechtelijke veroordeling en dat gedragingen in de privésfeer meegewogen mogen worden indien deze zich niet verdragen met beveiligingswerkzaamheden. Ook het feit dat appellant na intrekking toch werkzaamheden verrichtte, weegt zwaar mee. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet, omdat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt. De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt bevestigd vanwege onvoldoende betrouwbaarheid van appellant.