ECLI:NL:RVS:2024:2532
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken inhoudelijk verweer tegen niet-behandeling verblijfsvergunning
Bij besluiten van 16 en 17 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van twee vreemdelingen en hun minderjarige kind om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdelingen stelden hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 mei 2024 de beroepen ongegrond verklaarde.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep gaven zij echter geen inhoudelijke gronden aan waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel vellen over het hoger beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, voorzitter H.G. Sevenster, op 24 juni 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een inhoudelijk verweer tegen de uitspraak van de rechtbank.