ECLI:NL:RVS:2024:2432

Raad van State

Datum uitspraak
13 juni 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
202302207/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbWBV 2022/22
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ingetreden belangverlies bij niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de staatssecretaris op dat moment nog geen besluit had genomen.

In hoger beroep werd vastgesteld dat de staatssecretaris op 1 mei 2023 alsnog een besluit heeft genomen, waarmee het doel van de procedure is bereikt en het belang van de vreemdeling is komen te vervallen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is.

Daarnaast werd overwogen dat de staatssecretaris de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd en binnen vijftien maanden een besluit heeft genomen, waardoor geen proceskostenvergoeding verschuldigd is.

De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken en lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie, maar acht deze niet relevant voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep in deze zaak.

De procedure is daarmee afgerond met de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de staatssecretaris inmiddels een besluit heeft genomen.

Uitspraak

202302207/1/V1.
Datum uitspraak: 13 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 april 2023 in zaak nr. NL22.26826 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 3 april 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Mercanoglu, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 1 mei 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling afgewezen.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van het besluit, had de staatssecretaris nog geen besluit genomen op zijn aanvraag van 19 mei 2022. Dat heeft de staatssecretaris bij het besluit van 1 mei 2023 wel gedaan. Met het nemen van dit besluit heeft de vreemdeling het doel van deze procedure bereikt. Hij heeft geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de staatssecretaris met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De staatssecretaris heeft binnen vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. De staatssecretaris hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
Besluit van 1 mei 2023
3.       De Afdeling stelt vast dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, op 2 juni 2023 uitspraak heeft gedaan op het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8242. De vreemdeling heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. De Afdeling heeft op 10 augustus 2023 uitspraak gedaan op dit hoger beroep, ECLI:NL:RVS:2023:3044. De procedure is daarmee afgerond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2024
966