ECLI:NL:RVS:2024:2272
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinverordening
De vreemdeling diende op 27 november 2021 een asielaanvraag in die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen omdat Oostenrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was. Nederland werd later verantwoordelijk omdat de overdracht niet tijdig plaatsvond. De staatssecretaris verleende uiteindelijk op 8 maart 2024 een verblijfsvergunning met ingang van de datum van een tweede aanvraag op 1 september 2022.
De rechtbank vernietigde het besluit van 8 maart 2024 en bepaalde dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand bleven. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet van de vreemdeling mag eisen een nieuwe aanvraag in te dienen en dat de ingangsdatum van de vergunning moet worden bepaald op de datum van de oorspronkelijke aanvraag.
De Raad van State vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de rechtsgevolgen van het besluit inzake de ingangsdatum in stand hield en stelde de ingangsdatum vast op 27 november 2021. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt vastgesteld op 27 november 2021 en het eerdere vonnis wordt vernietigd.