ECLI:NL:RVS:2024:2122
Raad van State
- Hoger beroep
- R. Uylenburg
- A. Kuijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister over paspoortaanvraag wegens onterecht verlies Nederlanderschap
Appellant A en B hebben bij afzonderlijke besluiten van de minister van Buitenlandse Zaken hun aanvragen voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen gekregen. Appellant A verloor volgens de minister op grond van de oude Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) zijn Nederlanderschap door langdurig verblijf in het buitenland met dubbele nationaliteit. Appellant B, de dochter van appellant A, heeft nooit de Nederlandse nationaliteit verkregen omdat haar erkenning door haar vader niet rechtsgeldig was volgens Nederlands recht.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 1 juni 2010 moet worden aangemerkt als een stuitingsverklaring van de tienjaartermijn, waardoor appellant A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. De minister heeft daarom ten onrechte de aanvraag van appellant A niet in behandeling genomen.
Ten aanzien van appellant B oordeelt de Afdeling dat de erkenning niet rechtsgeldig is volgens artikel 1:204 BW Pro en dat de minister niet bevoegd is om het Nederlanderschap of het bestaan van family life vast te stellen. Het beroep van appellant B wordt daarom afgewezen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van appellant A gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. De proceskosten worden aan de minister opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant A wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd; het beroep van appellant B wordt afgewezen.