ECLI:NL:RVS:2024:2100

Raad van State

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
21 mei 2024
Zaaknummer
202402961/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbartikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na niet-behandeling

Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 7 mei 2024 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verwijst naar eerdere uitspraken over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije.

Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 21 mei 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202402961/1/V3.
Datum uitspraak: 21 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 mei 2024 in zaak nr. NL24.13926 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.D. Kupelian, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133, onder 4.4 tot en met 4.13, en van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, onder 5 tot en met 6.1, over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2024
347-982