ECLI:NL:RVS:2024:2067

Raad van State

Datum uitspraak
16 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
202307495/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:110 AwbDublinverordening
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 12 mei 2023 een besluit om een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat eerdere uitspraken over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de overdracht van vreemdelingen naar België ook op deze zaak van toepassing zijn, waardoor de grieven van de staatssecretaris slaagden.

De vreemdeling voerde geen nieuwe gronden aan tegen de uitspraak van de rechtbank, waardoor het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond werd verklaard, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog ongegrond werd verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

202307495/1/V3.
Datum uitspraak: 16 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 november 2023 in zaak nr. NL23.14430 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 30 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N. Birrou, advocaat te Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het hoger beroep staatssecretaris
1.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 5 tot en met 5.7, overwogen dat de staatssecretaris bij de toepassing van de Dublinverordening voor België uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De overwegingen in die uitspraak zijn ook hier van toepassing. Hieruit volgt de tweede grief slaagt.
2.       De Afdeling heeft ook de in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag over of vreemdelingen die een opvolgende aanvraag zullen moeten indienen, kunnen worden overgedragen naar België, beantwoord in haar uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1050, onder 6 tot en met 6.2. De overwegingen in die uitspraak zijn ook hier van toepassing. Hieruit volgt dat de eerste grief slaagt.
Geen incidenteel hoger beroep
3.       In de schriftelijke uiteenzetting voert de vreemdeling geen gronden aan die zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij hij volledig in het gelijk is gesteld, maar wordt uitsluitend gereageerd op de door de staatssecretaris ingediende grieven. Dit stuk is dus geen incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2454, onder 6).
Conclusie hoger beroep
4.       Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 november 2023 in zaak nr. NL23.14430;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024
872-1023