ECLI:NL:RVS:2024:1853

Raad van State

Datum uitspraak
2 mei 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
202301545/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:22 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in asielzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 januari 2023 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 2 maart 2023 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig had voorbereid. Dit gebrek werd door de rechtbank onbestreden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. De rechtbank had echter een proceskostenvergoeding moeten toekennen aan de vreemdeling, wat zij naliet.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de proceskostenvergoeding betrof, en bevestigde de rest van de uitspraak. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van € 2.625,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.625,00.

Uitspraak

202301545/1/V1.
Datum uitspraak: 2 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2023 in zaak nr. NL23.2211 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. de Schutter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat de vreemdeling in de tweede grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       De eerste grief slaagt wel. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris het besluit van 18 januari 2023 onzorgvuldig heeft voorbereid. Gelet op dat gebrek, dat de rechtbank onbestreden krachtens artikel 6:22 van Pro de Awb heeft gepasseerd, had zij een proceskostenvergoeding moeten toekennen. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3532, onder 7.1.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2023 in zaak nr. NL23.2211, voor zover zij heeft nagelaten de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in de proceskosten te veroordelen;
III.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024
282-1046