ECLI:NL:RVS:2024:1777
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- C.C.W. Lange
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt nieuwe beoordeling aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 7 Besluit nr. 1/80
De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, vroeg om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen wegens niet voldoen aan het mvv-vereiste. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de vreemdeling geen aanspraak kon maken op artikel 7, eerste alinea, van Besluit nr. 1/80 omdat zij geen gezinslid was dat ten laste kwam van de referent.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat zij wel rechten ontleent aan artikel 7, tweede alinea, dat een gunstigere regeling biedt voor kinderen van Turkse werknemers die een beroepsopleiding in Nederland hebben voltooid. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte van de vreemdeling verlangde aan te tonen dat zij een gezinslid was in de zin van de eerste alinea, terwijl de tweede alinea een andere beoordeling vereist.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de staatssecretaris ten onrechte afzag van het horen van de vreemdeling tijdens bezwaar, terwijl dit gezien de omstandigheden noodzakelijk was. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en beval een nieuwe beoordeling van het bezwaar met inachtneming van artikel 7, tweede alinea, van Besluit nr. 1/80. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning is vernietigd met opdracht tot nieuwe beoordeling.