ECLI:NL:RVS:2024:1759
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken familieleven
Bij besluit van 14 januari 2021 weigerde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de machtiging tot voorlopig verblijf aan meerdere vreemdelingen. Na een ongegrond verklaard bezwaar volgde een beroep bij de rechtbank Den Haag, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde. De vreemdelingen en een referent stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de eerste grief geen vragen bevat die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming relevant zijn en daarom niet nader gemotiveerd hoeft te worden. Vervolgens oordeelde de Afdeling dat de belangenafweging van de staatssecretaris op grond van artikel 8 EVRM Pro deugdelijk was gemotiveerd. De staatssecretaris stelde dat er geen familieleven bestond tussen de vreemdelingen en de referent, waardoor geen belangenafweging hoefde plaats te vinden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 26 april 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.