ECLI:NL:RVS:2024:1573

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
17 april 2024
Zaaknummer
202205283/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:68 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verstreken overdrachtstermijn in asielprocedure

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 8 augustus 2022 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De rechtbank Den Haag heeft dit besluit op 1 september 2022 bevestigd door het beroep van de vreemdeling ongegrond te verklaren. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de procedure gaf de staatssecretaris nadere schriftelijke inlichtingen en erkende dat de overdrachtstermijn, relevant voor de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, op 8 oktober 2022 was verstreken. Dit volgde uit het arrest van het Hof van Justitie van 30 maart 2023 en eerdere uitspraken van de Afdeling. Hierdoor is onduidelijkheid over de verantwoordelijke lidstaat komen te vervallen en is de vreemdeling opgenomen in de nationale asielprocedure.

De Afdeling bestuursrechtspraak ziet daarom geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep en wijst ook een verzoek van de staatssecretaris af om het belang alsnog aan te nemen om in te kunnen gaan op een recent arrest van het Hof van Justitie. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de overdrachtstermijn is verstreken en de vreemdeling is opgenomen in de nationale asielprocedure.

Uitspraak

202205283/1/V3.
Datum uitspraak: 17 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 1 september 2022 in zaak nr. NL22.15316 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 1 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven en de vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 december 2022, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. N. Vollebergh, advocaat te Breda, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, zijn verschenen. Verder is N. Epstein als tolk verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaak nr. 202206043/1/V3.
De Afdeling heeft partijen op 17 januari 2023 meegedeeld dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is heropend in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 15 juni 2022 heeft gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2022:5724).
Bij brief van 4 januari 2024 heeft de staatssecretaris op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       In zijn brief van 4 januari 2024 heeft de staatssecretaris erkend dat, gelet op het arrest van het Hof van 30 maart 2023, E.N., S.S. en J.Y., ECLI:EU:C:2023:272, en de uitspraken van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4197, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199, de overdrachtstermijn in deze zaak is verstreken op 8 oktober 2022. Ook heeft hij medegedeeld dat hij de vreemdeling daarom zal opnemen in de nationale asielprocedure. Er bestaat dus geen onduidelijkheid meer over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van de vreemdeling. Om die reden heeft zij geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1051. Dit betekent dat de Afdeling in deze zaak ook niet zal ingaan op het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, waarin het Hof de door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gestelde prejudiciële vragen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft beantwoord.  De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals de staatssecretaris heeft verzocht, toch belang bij het hoger beroep aan te nemen om in te kunnen gaan op genoemd arrest.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2024
644-985