ECLI:NL:RVS:2024:1543
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsrecht en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluiten van 10 april 2018 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer heeft en zijn aanvraag om een verblijfsdocument afgewezen. De vreemdeling werd opgedragen Nederland en de EU binnen vier weken te verlaten. Na een bezwaarprocedure en een beroep bij de rechtbank werd het besluit bevestigd. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van de eerdere uitspraak. Wel werd vastgesteld dat de totale procedure bijna zes jaar duurde, waarbij de redelijke termijn van vier jaar werd overschreden met bijna twee jaar. Deze overschrijding was toe te rekenen aan de Afdeling zelf, omdat het hoger beroep pas in 2024 werd beslist, terwijl de bezwaar- en beroepsfase binnen twee jaar waren afgerond.
De Afdeling kende daarom aan de vreemdeling een schadevergoeding van € 2.000 toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werden proceskosten van € 437,50 toegekend voor het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak van de voorzieningenrechter werd bevestigd en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten voor het hoger beroep te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.