ECLI:NL:RVS:2024:1448
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinverordening
De vreemdeling diende op 5 april 2017 een asielaanvraag in, die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was. Nederland werd echter alsnog verantwoordelijk op grond van artikel 29, tweede lid, van de verordening, omdat de overdracht aan Frankrijk niet tijdig plaatsvond.
De staatssecretaris verleende op 19 januari 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met als ingangsdatum 4 maart 2021, de datum van een tweede ingediende aanvraag. De vreemdeling stelde dat de ingangsdatum op de oorspronkelijke aanvraagdatum moest worden vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet van de vreemdeling mocht eisen een nieuwe aanvraag in te dienen en dat de ingangsdatum moet worden bepaald op de datum van de oorspronkelijke aanvraag. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning werd vastgesteld op 5 april 2017. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt vastgesteld op 5 april 2017, de datum van de oorspronkelijke aanvraag.