ECLI:NL:RVS:2024:1427

Raad van State

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
202207118/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 94, vierde lid, Vw 2000Art. 106, eerste lid, Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling krijgt schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling bij besluit van 18 oktober 2022 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 7 december 2022 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank niet bevoegd was om de zitting van 2 november 2022 te openen en te schorsen, en dat de rechtbank niet had voldaan aan haar verplichting om de vreemdeling spoedig ter zitting te horen, waardoor de bewaring met ingang van 24 november 2022 onrechtmatig werd.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €8.600 over de periode van 24 november 2022 tot en met 17 februari 2023. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €3.062,50. Omdat de bewaring al was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling vanaf 24 november 2022 is onrechtmatig verklaard en er is een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

202207118/1/V3.
Datum uitspraak: 5 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 7 december 2022 in zaak nr. NL22.21549 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 7 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De in de twee grieven opgeworpen rechtsvragen of de gewraakte rechter bevoegd was de zitting van 2 november 2022 te openen en te schorsen en of de rechtbank heeft voldaan aan haar verplichting om de vreemdeling spoedig ter zitting te horen (artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000), heeft de Afdeling bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:1372, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de eerste grief faalt en de tweede grief slaagt. De maatregel werd daarom met ingang van 24 november 2022 onrechtmatig.
2.       De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 24 november 2022 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 7 december 2022 in zaak nr. NL22.21549;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 8.600,00 over de periode van 24 november 2022 tot en met 17 februari 2023, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.062,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2024
47-967