ECLI:NL:RVS:2024:1190
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vaststelling nationaliteit en identiteit vreemdeling bij afwijzing verblijfsdocument en inreisverbod
De zaak betreft een vreemdeling die een aanvraag deed voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en een verzoek tot opheffing van een inreisverbod. De staatssecretaris wees beide aanvragen af en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de rechtbank het beroep van de vreemdeling gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling zijn Guinese nationaliteit en identiteit aannemelijk had gemaakt, mede omdat de staatssecretaris eerder zonder voorbehoud had erkend dat de vreemdeling de Guinese nationaliteit bezit en de civiele rechter de identiteit had vastgesteld. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bestuursrechter niet gebonden is aan de vaststelling van de identiteit door de civiele rechter, maar dat deze beschikking wel als bewijsmiddel kan worden meegewogen. De Afdeling stelde dat de staatssecretaris een juiste bewijsmaatstaf moet hanteren en de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling zorgvuldig moet beoordelen aan de hand van alle aangevoerde middelen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit van 5 december 2019 herroept en het inreisverbod opheft, en bevestigde de uitspraak voor het overige. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen over het bezwaar met inachtneming van de overwegingen over nationaliteit en identiteit.
Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen griffierecht was geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris moet opnieuw beslissen over het bezwaar met betrekking tot nationaliteit en identiteit.