ECLI:NL:RVS:2024:1086
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak wegens nalaten proceskostenvergoeding bij afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 februari 2024 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 maart 2024 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend, ondanks dat het besluit van de staatssecretaris gebrekkig was omdat het niet was ondertekend. Dit was in strijd met artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De overige grieven van de vreemdeling werden niet gegrond verklaard, mede omdat zij geen nieuwe rechtsvragen bevatten die voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling relevant zijn.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de proceskostenvergoeding werd geweigerd, en bevestigde het overige. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van beroep en hoger beroep, vastgesteld op € 2.625,00.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de rechtbankuitspraak vernietigd voor het niet toekennen van proceskostenvergoeding; de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van deze kosten.