ECLI:NL:RVS:2023:71

Raad van State

Datum uitspraak
11 januari 2023
Publicatiedatum
11 januari 2023
Zaaknummer
202202379/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken risico indirect refoulement bij overdracht aan Denemarken

De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland, welke door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat er een relevant verschil bestaat tussen het Nederlandse en het Deense beschermingsbeleid, wat een risico op indirect refoulement zou inhouden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat de situatie van de vreemdeling afwijkt van eerdere uitspraken over het beschermingsbeleid, omdat zij in Denemarken een afgeleide verblijfsvergunning had op grond van verblijf bij haar echtgenoot. Deze vergunning is vervallen door haar asielaanvraag in Nederland, maar haar echtgenoot bezit een geldige verblijfsvergunning tot februari 2024. De vreemdeling heeft geen aannemelijk bewijs geleverd dat deze vergunning zal worden herzien of ingetrokken.

Tevens is gebleken dat de vreemdeling een verlengingsaanvraag voor haar verblijfsvergunning in Denemarken heeft ingediend, die door haar asielaanvraag in Nederland tijdelijk is gepauzeerd. De enkele verklaring dat zij geen contact heeft met haar echtgenoot is onvoldoende om een risico op indirect refoulement aan te tonen. Daarom faalt haar grief en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard.

De Afdeling bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202202379/1/V3.
Datum uitspraak: 11 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 13 april 2022 in zaak nr. NL22.192 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 13 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. der Bedrosian, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in haar enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen relevant verschil tussen het Nederlandse en Deense beschermingsbeleid voor Syrische vreemdelingen aannemelijk heeft gemaakt. Over het verschil in het beschermingsbeleid heeft de Afdeling op 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1864, onder 8 t/m 9.3) uitspraak gedaan. Die uitspraak is echter niet van toepassing op de situatie van de vreemdeling. De vreemdeling was in Denemarken namelijk in het bezit van een afgeleide verblijfsvergunning voor verblijf bij haar echtgenoot. Nadat zij in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend, is die verblijfsvergunning van rechtswege vervallen. Uit de door de staatssecretaris opgevraagde informatie bij de Deense autoriteiten blijkt dat haar echtgenoot in Denemarken een verblijfsvergunning asiel op individuele gronden heeft die geldig is tot 12 februari 2024. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze verblijfsvergunning zal worden herbeoordeeld of ingetrokken. Daarnaast blijkt uit de informatie van de Deense autoriteiten dat de vreemdeling een verlengingsaanvraag voor haar afgeleide verblijfsvergunning heeft ingediend. Door haar asielverzoek in Nederland is deze aanvraag in de wachtstand gezet. Omdat op deze verlengingsaanvraag nog niet is beslist, is het niet aannemelijk dat de vreemdeling niet nogmaals in het bezit kan komen van een afgeleide verblijfsvergunning. De enkele verklaring dat zij op dit moment geen contact heeft met haar echtgenoot, is daarvoor onvoldoende. Door het voorgaande en de omstandigheid dat zij zelf geen asielaanvraag in Denemarken heeft ingediend, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat zij een risico loopt op indirect refoulement bij overdracht aan Denemarken.
1.1.    De grief faalt.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
47-985