ECLI:NL:RVS:2023:71
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken risico indirect refoulement bij overdracht aan Denemarken
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland, welke door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat er een relevant verschil bestaat tussen het Nederlandse en het Deense beschermingsbeleid, wat een risico op indirect refoulement zou inhouden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat de situatie van de vreemdeling afwijkt van eerdere uitspraken over het beschermingsbeleid, omdat zij in Denemarken een afgeleide verblijfsvergunning had op grond van verblijf bij haar echtgenoot. Deze vergunning is vervallen door haar asielaanvraag in Nederland, maar haar echtgenoot bezit een geldige verblijfsvergunning tot februari 2024. De vreemdeling heeft geen aannemelijk bewijs geleverd dat deze vergunning zal worden herzien of ingetrokken.
Tevens is gebleken dat de vreemdeling een verlengingsaanvraag voor haar verblijfsvergunning in Denemarken heeft ingediend, die door haar asielaanvraag in Nederland tijdelijk is gepauzeerd. De enkele verklaring dat zij geen contact heeft met haar echtgenoot is onvoldoende om een risico op indirect refoulement aan te tonen. Daarom faalt haar grief en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.