ECLI:NL:RVS:2023:51

Raad van State

Datum uitspraak
9 januari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
202107200/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 oktober 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzende uitspraak van de rechtbank Den Haag, stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen familie- of gezinsleven bestond tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende familieleden. De staatssecretaris had niet de vereiste belangenafweging verricht zoals vereist op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Tevens werd het besluit van 14 december 2020, waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, vernietigd. De staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen, waarbij de feiten en omstandigheden van dat moment worden betrokken en de vreemdelingen worden gehoord volgens de Awb.

De staatssecretaris is tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.

Uitspraak

202107200/1/V1.
Datum uitspraak: 9 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2021 in zaak nr. 20/9394 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       In de derde en vierde grief klagen de vreemdelingen terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet slaagt. De rechtbank heeft deze overweging namelijk gebaseerd op haar oordeel dat er geen familie- of gezinsleven bestaat tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende familieleden. De rechtbank en de staatssecretaris kunnen echter niet meer volstaan met deze vaststelling. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM altijd een alle relevante feiten en omstandigheden omvattende belangenafweging moet verrichten. Deze belangenafweging heeft de staatssecretaris niet verricht. De grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder aanvoeren te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 14 december 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. Daarbij moet de staatssecretaris uitgaan van de feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordoen. Gelet hierop moet de staatssecretaris de vreemdelingen op de voet van artikel 7:2 van Pro de Awb horen, tenzij zich een uitzondering als genoemd in artikel 7:3, aanhef en onder c, d of e, van de Awb voordoet. Met inachtneming van de daarbij vergaarde feiten en omstandigheden moet de staatssecretaris opnieuw een standpunt innemen over de vraag of tussen betrokkenen familie- of gezinsleven bestaat en moet hij de vereiste belangenafweging verrichten. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2021 in zaak nr. 20/9394;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 14 december 2020, V-[…];
V.       draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2023
282-999