ECLI:NL:RVS:2023:51
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 oktober 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzende uitspraak van de rechtbank Den Haag, stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen familie- of gezinsleven bestond tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende familieleden. De staatssecretaris had niet de vereiste belangenafweging verricht zoals vereist op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Tevens werd het besluit van 14 december 2020, waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, vernietigd. De staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen, waarbij de feiten en omstandigheden van dat moment worden betrokken en de vreemdelingen worden gehoord volgens de Awb.
De staatssecretaris is tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.