ECLI:NL:RVS:2023:4566

Raad van State

Datum uitspraak
7 december 2023
Publicatiedatum
8 december 2023
Zaaknummer
202306260/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 AwbArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring administratief beroep wegens ontbrekende rechtsmiddelenverwijzing

Het beroep betreft de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Christelijke Hogeschool Ede, waarbij het administratief beroep van appellant niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het bestreden besluit van 12 juli 2023 geen rechtsmiddelenverwijzing bevat die voldoet aan artikel 3:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze wettelijke bepaling vereist dat in een besluit duidelijk wordt vermeld binnen welke termijn beroep kan worden ingesteld. Het ontbreken hiervan leidt in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, tenzij aannemelijk is dat appellant tijdig wist van de termijn. In deze zaak is die uitzondering niet van toepassing, omdat appellant wel pogingen heeft gedaan om duidelijkheid te verkrijgen over de beroepstermijn, maar deze niet tijdig heeft ontvangen.

Daarom oordeelt de Afdeling dat het college ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college wordt verplicht het beroep alsnog in behandeling te nemen en inhoudelijk te beslissen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

202306260/1/A2.
Datum uitspraak: 7 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Christelijke Hogeschool Ede (hierna: het college), verweerder.
Openbare zitting gehouden op 7 december 2023 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.E.M. Polak, voorzitter
griffier: mr. P.M.M. van Zanten
jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
[appellant], vergezeld door [gemachtigde];
het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dasselaar en N. Gille;
Het beroep richt zich tegen de beslissing van het college van 14 september 2023, waarbij het college het administratief beroep van [appellant] van 2 september 2023 tegen de beslissing van 12 juli 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat [appellant] dit administratief beroep niet tijdig heeft ingesteld.
De Afdeling verklaart het beroep gegrond. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende:
In de beslissing van 12 juli 2023 is geen rechtsmiddelenverwijzing opgenomen die voldoet aan de vereisten van artikel 3:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel schrijft onder meer voor dat in een besluit moet worden vermeld binnen welke termijn beroep kan worden ingesteld. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 21 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2131, waarin is overwogen dat het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing bij een besluit of uitspraak in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Deze uitzondering doet zich hier niet voor. Hoewel [appellant] wel pogingen heeft ondernomen om duidelijkheid te krijgen over de beroepstermijn, heeft hij deze niet op tijd gekregen.
Dat betekent dat het college het administratief beroep van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college zal het beroep van [appellant] tegen de beslissing van 12 juli 2023 alsnog in behandeling moeten nemen en daarop alsnog inhoudelijk moeten beslissen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant].
De Afdeling
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt de beslissing van het college van 12 juli 2023;
III.      veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 93,59.
IV.      gelast dat het college aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 50,00 vergoedt.
w.g. Polak
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Zanten
griffier
97-1067