ECLI:NL:RVS:2023:4065
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en toepassing driejarenbeleid bij afwijzing verblijfsvergunning arbeid zelfstandige
De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, had twee aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige', die beide door de staatssecretaris werden afgewezen vanwege een onvolledig ondernemingsplan. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond voor het driejarenbeleid, omdat de staatssecretaris ten onrechte een contra-indicatie van proceduretraineren aan de vreemdeling had toegerekend.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de vertraging in de procedure grotendeels door de vreemdeling zelf was veroorzaakt door het tweemaal verzoeken om aanhouding van de behandeling, wat volgens het driejarenbeleid een contra-indicatie is. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling te kwader trouw moest handelen om van traineren te spreken. Wel is relevant of de vertraging binnen de risicosfeer van de vreemdeling valt, wat hier het geval was vanwege persoonlijke redenen zoals de afwezigheid van zijn gemachtigde.
De Raad van State vernietigde daarom het deel van de rechtbankuitspraak dat het driejarenbeleid betrof, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en dat van de vreemdeling ongegrond. De afwijzing van de verblijfsvergunning onder het driejarenbeleid blijft gehandhaafd. De overige onderdelen van de rechtbankuitspraak, waaronder de afwijzing van de aanvraag onder de beperking arbeid als zelfstandige en de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding, blijven ongewijzigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning onder het driejarenbeleid bevestigd.