ECLI:NL:RVS:2023:4
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf en vergoeding proceskosten
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 mei 2020 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris dit bezwaar op 30 oktober 2020 ongegrond. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 mei 2021 ongegrond verklaarde. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris in het besluit van 30 oktober 2020 niet het juiste beoordelingskader had toegepast zoals uiteengezet in eerdere jurisprudentie, met name het belang van een samenhangende bewijsbeoordeling en een op de zaak toegespitste motivering. Hierdoor werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling vernietigde tevens het besluit van 30 oktober 2020 en beval de staatssecretaris om een nieuw besluit te nemen waarbij het juiste beoordelingskader wordt gehanteerd. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdelingen in bezwaar en hoger beroep hebben gemaakt, inclusief het griffierecht dat in beroep was betaald.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.