ECLI:NL:RVS:2023:3732
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 februari 2022 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 26 oktober 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die op 14 juli 2023 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat het beleid bepaalde dat alle aanvragen voor een verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid voor advies werden doorgestuurd naar de minister van Economische Zaken, ook bij een ontbrekend of onvoldoende ondernemingsplan. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling dit niet aannemelijk had gemaakt, mede gelet op beleidsregels uit paragraaf B5/7.3.3 van de Vc 2000 (oud).
De overige grieven van de vreemdeling bevatten geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord behoeven te worden. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.