ECLI:NL:RVS:2023:3664
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen afwijzing visum kort verblijf
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een aanvraag voor een visum voor kort verblijf door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat op besluiten omtrent visums voor een verblijf van 90 dagen of minder geen hoger beroep openstaat volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De aangevoerde gronden in het hoger beroep bieden geen aanleiding om het verbod op hoger beroep te doorbreken, aangezien er geen sprake is van een oneerlijk proces.
Daarom verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens wordt bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van N. Verheij op 3 oktober 2023.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het visum voor kort verblijf.