ECLI:NL:RVS:2023:3265
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bewaring vreemdeling wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 17 maart 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had getoetst of er zicht was op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat het ontbreken van zodanig zicht de bewaring onrechtmatig maakt. Gezien het feit dat op het moment van bewaring en gedurende de bewaring geen zicht op uitzetting bestond, werd het hoger beroep gegrond verklaard.
Omdat de bewaring onrechtmatig was vanaf het begin, werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De bewaring was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing niet nodig was. De vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van € 2.130,00 voor de periode van bewaring, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.511,00.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.