ECLI:NL:RVS:2023:3146
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat Statenbesluit geen besluit is in zin van Awb en geen bezwaar openstaat
Appellante maakte bezwaar tegen het Statenbesluit van provinciale staten van Flevoland van 27 mei 2020, waarin werd besloten geen anticonceptie toe te passen bij de grote grazers in de Oostvaardersplassen en het beleidskader niet aan te passen. De bezwarencommissie en rechtbank oordeelden dat het Statenbesluit geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat het niet gericht is op rechtsgevolg.
Appellante stelde dat het besluit wel rechtsgevolg heeft en dat haar bezwaar daarom behandeld had moeten worden, en voerde tevens aan dat het besluit in strijd is met internationale verdragen zoals het Verdrag van Aarhus en het Verdrag van Bern. De Raad van State overwoog dat het Statenbesluit slechts een bespreking en afwijzing van een rapport betreft en geen besluit om handhavend op te treden of ontheffingen in te trekken.
Verder oordeelde de Raad dat het Verdrag van Aarhus niet van toepassing is omdat het geen besluit betreft zoals bedoeld in de Awb en dat de Raad daarom niet bevoegd is om hierover te oordelen. Ook de inhoudelijke beoordeling van ontheffingen voor afschot valt buiten het bestreden besluit en is niet aan de orde in deze procedure.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij provinciale staten geen proceskosten hoeven te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het Statenbesluit geen besluit in de zin van de Awb is.