ECLI:NL:RVS:2023:303
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslagen ondanks betwisting inschrijving toeslagpartner
Appellant ontving in 2019 voorschotten zorg- en huurtoeslag waarbij het inkomen van zijn dochter als toeslagpartner werd meegenomen vanwege haar inschrijving op zijn adres in de Basisregistratie personen (Brp). Na een definitieve vaststelling van de toeslagen door de Belastingdienst werd een terugvordering opgelegd wegens onjuiste gegevens.
De rechtbank oordeelde dat appellant ten onrechte niet in bezwaar is gehoord, maar verklaarde het beroep gegrond vanwege een gebrekkige belangenafweging. De rechtbank handhaafde echter de rechtsgevolgen van het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn dochter ten onrechte als toeslagpartner werd aangemerkt en dat de terugvordering onevenredig was vanwege bijzondere omstandigheden en financiële gevolgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de Belastingdienst terecht uitging van de inschrijving in de Brp en dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde dat zijn dochter feitelijk elders woonde. Verder is het standpunt van de Belastingdienst dat financiële problemen geen reden zijn voor matiging van terugvordering, omdat een persoonlijke betalingsregeling mogelijk is, door de Afdeling onderschreven. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de terugvordering van de zorg- en huurtoeslag wordt bevestigd.