ECLI:NL:RVS:2023:3018
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verkrijgen af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat bij besluit van 13 februari 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 9 december 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vertegenwoordigd door zijn advocaat. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De rechtsvraag was reeds eerder door de Afdeling beantwoord in een uitspraak van 4 november 2022.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sprak dit oordeel uit in een openbare zitting op 7 augustus 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.