ECLI:NL:RVS:2023:2877

Raad van State

Datum uitspraak
26 juli 2023
Publicatiedatum
26 juli 2023
Zaaknummer
201904774/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:118 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een vreemdelingenzaak. Na beantwoording van een prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de EU trok de staatssecretaris het hoger beroep in. De vreemdeling verzocht vervolgens om een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris vanwege gemaakte kosten in verband met de prejudiciële procedure.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat er sprake was van samenhangende zaken en dat de staatssecretaris reeds in een andere uitspraak was veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Daarom zag de Afdeling geen aanleiding om het verzoek van de vreemdeling toe te wijzen.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen, waardoor de staatssecretaris niet hoeft te betalen. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 26 juli 2023.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen; de staatssecretaris hoeft geen kosten te vergoeden.

Uitspraak

201904774/3/V3.
Datum uitspraak: 26 juli 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:118, eerste lid, en 8:75 van de Awb).
Procesverloop
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 juni 2019 in zaak nr. NL19.13032.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij arrest van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, heeft het Hof van Justitie de door de Afdeling bij verwijzingsuitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3034, gestelde prejudiciële vraag beantwoord.
De staatssecretaris heeft het hoger beroep bij brief van 8 december 2022 ingetrokken.
De vreemdeling heeft de Afdeling bij brief van 10 januari 2023 verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken, nadat de vreemdeling kosten heeft gemaakt in verband met de prejudiciële procedure. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding het verzoek van de vreemdeling toe te wijzen. Er is namelijk sprake van samenhangende zaken (artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht), en de staatssecretaris is bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2023:2829, al veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
2.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023
873