ECLI:NL:RVS:2023:2872
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over samenhang en verknochtheid van toevoegingen in rechtsbijstandzaken bij bijstandsuitkering
De zaak betreft het hoger beroep van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant over de intrekking en terugvordering van vergoedingen voor toevoegingen in een rechtsbijstandzaak. De toevoegingen hadden betrekking op bezwaarprocedures tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders over de blokkering, stopzetting en hervatting van een bijstandsuitkering na een politie-inval.
De rechtbank had geoordeeld dat twee van de drie toevoegingen verknocht waren, maar dat de derde toevoeging met een arbeidsverplichting geen verknochtheid vertoonde. De raad stelde in hoger beroep dat alle drie de toevoegingen naar hun aard verknocht zijn omdat ze dezelfde problematiek betreffen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat alle drie de zaken procedureel samenhangen en inhoudelijk verknocht zijn, omdat zij betrekking hebben op dezelfde rechtzoekende, hetzelfde feitencomplex en dezelfde kernrechtsvragen over het recht op bijstand. De bijkomende arbeidsverplichting leidt niet tot al te zeer uiteenlopende rechtsvragen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het besluit van 13 maart 2020 vernietigde en het besluit van 20 september 2019 herroepen heeft, en het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de raad van 13 maart 2020 wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoedingen blijft gehandhaafd.