ECLI:NL:RVS:2023:2757
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De vreemdeling heeft bij besluit van 16 december 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak de staatssecretaris gelegenheid gegeven het besluit te herstellen, waarna een aanvullend besluit volgde. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak van de rechtbank, met name gericht op het oordeel over de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, zodat geen verdere motivering nodig is.
Daarnaast verzocht de vreemdeling om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad van State stelt vast dat de totale duur van de procedure aanzienlijk korter was dan de als redelijk beschouwde termijn van vier jaar, waardoor het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.